You are here

De uitstoot van broeikasgassen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

photo paysage gaz à effets de serre

Het gebruik van fossiele energiebronnen om onze energiebehoeften in te lossen (industriële productie, transport, verwarming van gebouwen, huishoudtoestellen...) leidt tot de uitstoot van broeikasgassen (BKG) in de atmosfeer, die op hun beurt het klimaat verstoren.

Deze emissies zijn sinds het midden van de 19de eeuw (industriële revolutie) aanzienlijk toegenomen.

 

 

 

Wat zijn de voornaamste broeikasgassen die in Brussel worden uitgestoten?

De verschillende broeikasgassen hebben niet hetzelfde aardopwarmingsvermogen (global warming potential of GWP). Om ze met elkaar te kunnen vergelijken, worden de uitgestoten gassen omgezet in een gemeenschappelijke eenheid: het CO2-equivalent.

Koolstofdioxide of CO2

Koolstofdioxide is veruit het voornaamste broeikasgas dat wordt uitgestoten op het grondgebied van het gewest. In 2018 was koolstofdioxide verantwoordelijk voor 90% van alle BKG-emissies.

Koolstofdioxide wordt uitgestoten tijdens elk verbrandingsproces: De voornaamste bronnen van CO2-emissies zijn:

  • verbranding in woon- en tertiaire gebouwen (verwarming, sanitair warm water en koken) (60% van de directe CO2-uitstoot);
  • wegtransport (29% van de directe CO2-uitstoot).

De bijdrage van industriële activiteiten is zeer gering en hoofdzakelijk afkomstig van de energiesector (verbranding van huishoudelijk afval met elektriciteitsproductie).

Fluorgassen

De uitstoot afkomstig van het gebruik van fluorgassen uitgedrukt in CO2-equivalenten was in 2018 verantwoordelijk voor 8% van de totale uitstoot van broeikasgassen. Sinds 1990 neemt die bijdrage voortdurend toe. Het aardopwarmingsvermogen van fluorgassen is in bepaalde gevallen extreem hoog (22.800 keer hoger dan van CO2 in het geval van SF6 bijvoorbeeld).

Fluorgassen worden vooral gebruikt in de koelsector, bij de productie van synthetisch schuim of in de halfgeleiderindustrie.

Methaan of CH4

Methaan is verantwoordelijk voor 1% van de uitstoot van BKG's in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het aardopwarmingsvermogen van methaan is hoog (25 keer hoger dan dat van CO2).

De uitstoot van CH4 is voornamelijk afkomstig van verliezen in het aardgasdistributienetwerk (vluchtige emissies, 77% in 2018) en van de verbranding in woon- en tertiaire gebouwen (17%). De vluchtige emissies werden met 71% teruggedrongen in vergelijking met 1990, dankzij de vernieuwing van de leidingen in het distributienet.

Distikstofoxide of N2

Distikstofoxide is goed voor minder dan 1% van de uitstoot van BKG's in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het aardopwarmingsvermogen van distikstofoxide is hoog (298 keer hoger dan dat van CO2).

N2-emissies zijn in de eerste plaats afkomstig van het gebruik ervan als product, met name als verdovingsmiddel (28% in 2018), in het wegtransport (27%) en in de afvalsector (uitgezonderd energieterugwinning), voornamelijk via de behandeling van afvalwater (24%).

Evolutie van de directe uitstoot van broeikasgassen sinds 1990

De totale uitstoot van broeikasgassen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2018 daalde met 13% ten opzichte van 1990 en met 19% ten opzichte van 2005. De voornaamste emissiebronnen zijn de verbranding in woon- en tertiaire gebouwen (voornamelijk voor verwarming) en het wegtransport.

De uitstoot in woon- en tertiaire gebouwen vertoont een algemene neerwaartse trend sinds het midden van de jaren negentig.

 De variaties van de uitstoot zijn vrij uitgesproken voor de voorbije jaren omdat ze gekoppeld zijn aan de klimaatgesteldheid. Die klimaatgesteldheid wordt wetenschappelijk uitgedrukt in graaddagen: hoe meer graaddagen, hoe hoger de verwarmingsbehoeften.

De uitstoot door het wegtransport is sinds 1990 relatief stabiel.

De uitstoot afkomstig van de industrie, de energieproductie en de bouwsector is relatief stabiel.

De uitstoot van fluorgassen stijgt sinds 1990.

De andere emissiebronnen namen af sinds 1990. Sinds 2015 stijgen ze echter opnieuw.

De uitstoot door verbranding in gebouwen vertoont een algemene neerwaartse trend sinds het midden van de jaren negentig. Toch zijn de variaties tussen de jaren onderling vrij uitgesproken, vooral voor de recente jaren. Die variaties zijn gekoppeld aan de klimaatgesteldheid, die we kunnen beoordelen op basis van graaddagen: hoe hoger het aantal graaddagen in een jaar, hoe groter de verwarmingsbehoeften.

De uitstoot door het wegtransport is sinds 1990 relatief stabiel.

De toename van de uitstoot van fluorgassen heeft met name te maken met de geleidelijke vervanging van (H)CFK's ((hydro)chloorfluorkoolwaterstoffen) door HFK's (fluorkoolwaterstoffen) in koelinstallaties. (H)CFK's zijn zeer schadelijk voor de ozonlaag en worden daarom vervangen.

De uitstoot in tertiaire gebouwen en woongebouwen daalt ten opzichte van 1990.

De variaties van de uitstoot zijn vrij uitgesproken voor de voorbije jaren omdat ze gekoppeld zijn aan de klimaatgesteldheid. Die klimaatgesteldheid wordt wetenschappelijk uitgedrukt in graaddagen: hoe meer graaddagen, hoe hoger de verwarmingsbehoeften.

We stellen vast dat de uitstoot van gebouwen de evolutie van de graaddagen volgt.

Wanneer de graaddagen toenemen, neemt ook de uitstoot toe.

Voorspellingen voor de directe uitstoot van broeikasgassen tegen 2030/2050

De emissie-inventarissen hebben betrekking op de afgelopen jaren (momenteel gaat het om de periode 1990-2018). Om de toekomstige emissies in te schatten, zijn voorspellingsmodellen ontwikkeld voor de verschillende activiteitensectoren op basis van verschillende scenario's en met verschillende einddatums. Die modellen tonen verschillende scenario's:

  • WEM-scenario (With Existing Measures): gebaseerd op het beleid en de maatregelen die al zijn ingevoerd of waarover al werd beslist
  • WAM-scenario (With Additional Measures): gebaseerd op de integratie van bijkomende maatregelen ten opzichte van het WEM-scenario

Volgens de beschikbare informatie zou het Brussels Hoofdstedelijk Gewest het gewestelijke emissieplafond (burden sharing) tegen 2020 moeten kunnen naleven met het beleid en de maatregelen die momenteel reeds bestaan. De doelstelling voor 2030 (-40% uitstoot ten opzichte van 2005) zal daarentegen enkel worden bereikt met de uitvoering van bijkomende beslissingen en maatregelen (WAM-scenario). Deze voorspellingen moeten ook rekening houden met de onvoorspelbaarheid van het klimaat, zoals de onzekerheid rond de reële verwarmingsbehoeften van de gebouwen.

De neerwaartse trend die nodig is tegen 2030 zal nog verder moeten worden versterkt om de Europese doelstelling te bereiken waarbij tegen 2050 wordt gestreefd naar een daling van 80% ten opzichte van 1990.

  • Het Gewest heeft verschillende doelstellingen op het vlak van broeikasgassen.
  • Zo is er een gewestelijk emissieplafond voor 2020 dat niet mag worden overschreden. Die doelstelling wordt ook burden sharing genoemd.
  • Daarnaast is er de doelstelling om tegen 2030 40% minder broeikasgassen uit te stoten ten opzichte van 2005. Dit is de doelstelling van de Gewestelijke Beleidsverklaring of GBV.

De Europese Unie heeft als doel om tegen 2050 80% minder uit te stoten ten opzichte van 1990.

Volgens de voorspellingen van de inventarissen van de broeikasgasemissies zou het Brussels Hoofdstedelijk Gewest het gewestelijke emissieplafond voor 2020 moeten kunnen naleven met het beleid en de maatregelen die momenteel reeds bestaan.

De doelstelling voor 2030 zal enkel worden bereikt als er bijkomende beslissingen en maatregelen komen.

Met het WEM-scenario, waarbij geen bijkomende maatregelen worden genomen, zal dat doel niet worden bereikt.

Deze voorspellingen moeten rekening houden met de onvoorspelbaarheid van het klimaat, zoals de onzekerheid rond de reële verwarmingsbehoeften van de gebouwen.

Indirecte uitstoot van broeikasgassen

In een sterk verstedelijkt stadsgewest als Brussel zorgen de hoge bevolkingsdichtheid en het grote aandeel dienstenactiviteiten ervoor dat een deel van de emissies naar buiten het grondgebied worden verplaatst. Het gaat dan met name over de emissies door de productie van elektriciteit of industriële processen. In dat geval spreken we over indirecte emissies. In combinatie met directe emissies helpen indirecte emissies ons om de reële globale impact van het betrokken grondgebied nauwkeuriger te beoordelen in termen van BKG-emissies.

Het feit dat wordt rekening gehouden met indirecte emissies in de strijd tegen de klimaatverandering is opgenomen in de Gewestelijke beleidsverklaring van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie voor de legislatuur 2019-2024 (GBV). Op dit moment wordt een berekeningsmethodologie ontwikkeld om de bestaande inventaris van directe BKG-emissies aan te vullen met een schatting van de indirecte emissies.

Date de mise à jour: 07/07/2020